EEMLEffortless Effect Meta-Law
/
IDeel I / VIII

Begrippen, vier lagen en kernregels

Wat betekenen de woorden? Vier vragen, acht werkregels en een knikker.

11 secties≈ 13 min lezen
In gewone taal

In dit deel staan de woorden en de spelregels.

  • Elke uitspraak krijgt een label. Is het een afspraak, een aanname, een uitkomst binnen een model, of nog open? Zo zie je meteen hoe sterk iets is.
  • Vier aparte vragen. Kan het, wat kost het, hoe zwaar telt het, en hoe gaat het echt?
  • Efficiënter betekent hier: hetzelfde effect, nergens hogere kosten en ergens lagere.
  • Een oude, strenge claim luidde: wat bij hetzelfde effect duurder is, verdwijnt vanzelf. Dat is niet bewezen. Nu is het een toets: onder welke voorwaarden gebeurt het echt?

Het beeld hieronder: dezelfde knikker in hetzelfde dal. Met wrijving komt hij tot rust. Zonder wrijving kan hij blijven rollen. Met een duw die steeds doorgaat, kan hij rond blijven gaan. En als hij de helling zelf verandert, verandert hij ook zijn eigen toekomst. ‘De knikker zoekt het laagste punt’ is dus niet genoeg. Je moet ook weten welke regels de beweging volgt.

Eén knikker, vier sets regels
Dezelfde knikker in hetzelfde dal. Wat er gebeurt, hangt af van de regels van de beweging. Schets, geen berekening van een echt systeem (deel I).

Voor wiskundigen

Statuslabels, de vier lagen, één werkdefinitie van efficiëntie, de dominantiehypothese, closure, de acht werkregels en EEML-W. De volledige uitwerking, per onderwerp uitklapbaar. Klik op een titel om hem te openen.

Statuslabels

Elke uitspraak krijgt een label, zodat je ziet hoe sterk ze is.
Label Betekenis
Definitie Een afgesproken betekenis; op zichzelf geen bestaansbewijs.
Postulaat Een grondgedachte die afzonderlijke rechtvaardiging vraagt.
Kandidaat-natuurclaim Een inhoudelijke hypothese over de natuur, met expliciet uit te werken mogelijke weerlegging.
Modelinvoer Gekozen ruimte, voorwaarden, maat, kosten, dynamica of parameters.
Voorwaardelijk afgeleid Een gevolg waarvoor de genoemde hypotheses essentieel blijven.
Protocol Een afspraak over vergelijken, reconstrueren en toetsen.
Historisch / herzien Een eerdere claim die niet meer als geldig resultaat wordt gebruikt.
Open Nog niet afgeleid, berekend of empirisch onderscheiden.

De vier inhoudelijke lagen

Vier vragen die apart blijven: kan het, wat kost het, hoe zwaar telt het, hoe gaat het echt.
Laag Vraag Inhoud
I · Toelaatbaarheid Kan dit geheel gezamenlijk bestaan binnen het model? Kandidatenruimte, harde voorwaarden, verenigbaarheid.
II · Efficiëntievergelijking Welke inzet draagt hetzelfde effect? Kostenvector, Pareto, bewezen ondergrenzen en hun verzadiging.
III · Gewicht Hoe zwaar tellen toegelaten mogelijkheden mee? Maat, multipliciteit, positieve gewichten of afzonderlijk gemotiveerde quantumamplitudes.
IV · Proces Hoe verloopt het werkelijk? Voorbereiding, bereikbaarheid, overgangssnelheden, geheugen, aandrijving en behoudsduur.

Een zwaar gewogen toestand is niet noodzakelijk snel bereikbaar. Een unieke toegelaten kandidaat is niet automatisch door efficiëntie geselecteerd. Een stationaire verdeling hoeft geen stilstaand proces te beschrijven.

Eén werkdefinitie van efficiëntie

Efficiënter is: hetzelfde effect, nergens hogere kosten en ergens lagere.

Efficiëntie is de vergelijking van vooraf gekozen kosten voor hetzelfde vooraf vastgelegde effect, onder dezelfde harde voorwaarden en systeemgrens. Y is efficiënter dan X in Pareto-zin wanneer geen kostencomponent hoger is en minstens één lager. Alternatieven met een kostenafweging blijven onvergelijkbaar zonder aanvullende voorkeur. Bereikbaarheid en tijdvenster begrenzen welke alternatieven praktisch mogen worden vergeleken.

Dit is laag II. Een statistisch gewicht behoort tot laag III; een minimumregel als bewegingsmodel tot laag IV. De historische benaming “100% efficiënt” voor nul actieve weerstand is een modelconventie, geen universeel thermodynamisch rendement. Waar rendement wordt gemeten, blijft de afzonderlijke verhouding nuttige uitvoer/invoer nodig.

Proceslezing van “gebaseerd op een minimumregel” Wat kan worden vastgesteld? Wat volgt niet?
Eigen gradiëntmodel Een gegeven landschap en mobiliteit leveren daling, bijvoorbeeld \(\dot x=-M\nabla\Phi\) met \(M\ge0\). Het landschap, een uniek minimum of de bereikbaarheid daarvan zijn niet daarmee afgeleid.
Stationaire actie / conservatief proces Een gegeven actie levert \(\delta S=0\); beweging kan energie behouden. Stationariteit is geen algemeen minimum van een positieve kost.
Circulerend, aangedreven proces Een stationaire verdeling kan netto kringstromen dragen. Een grotere beschrijving kan aandrijving, brandstof en afvoer bevatten. Een blijvende niet-triviale kring heeft geen overal strikt dalende, enkelwaardige potentiaal op die kring. Inbedding in een groter gradiëntproces is extra modelwerk, geen algemene stelling.

De derde rij is bewust begrensd: een uitgebreider gesloten model kan ook Hamiltoniaans zijn. Een brandstofvoorraad die afneemt kan circulatie tijdelijk aandrijven, maar maakt een eeuwigdurende kring niet vanzelf een autonome gradiëntstroom.

De knikker: dezelfde intuïtie, verschillende proceswetten

Dezelfde knikker kan tot rust komen, blijven rollen of rondgaan. Dat hangt af van de regels.

Een knikker in een landschap met wrijving draagt energie af en kan in een dal tot rust komen. Zonder wrijving kan hij blijven bewegen; ook een exact evenwicht blijft mogelijk. Met voortdurende aandrijving kan circulatie ontstaan. Met ruis wordt een verdeling van posities en overgangen relevant; in het quantumregime zijn amplitudes en een meetmodel nodig. Als de knikker door zijn beweging de heuvel verandert, verandert het proces zijn eigen toekomstige mogelijkheden: dat is de terugwerking die EEML expliciet wil volgen. De regressie gaat verder: afvoer vraagt gekoppelde vrijheidsgraden en hun toestand, het landschap vraagt materiaalwetten en interacties, en een tijdspijl vraagt ook voorbereiding en eventueel kosmologische beginvoorwaarden. Multipliciteit helpt die afvoer statistisch beschrijven, maar leidt haar niet zonder dynamica af. Dit beeld ordent de vragen; het lost de oorsprong van die wetten en beginvoorwaarden niet op.

Wat EEML verbiedt: historische claim en actuele grenzen

De oude claim ‘wat duurder is, verdwijnt’ is niet bewezen. Nu is het een toets met voorwaarden.

Revisiegeschiedenis: de auteur koos aanvankelijk voor het algemene dominantieverbod als eigen EEML-claim. Op verzoek is die status nu herzien naar de voorwaardelijke D1-toets. De sterke oorspronkelijke formulering blijft hieronder leesbaar; zij is niet door Pareto of de literatuur als universele wet bewezen. Een wet moet operationeel mogelijke uitkomsten of kansverdelingen uitsluiten, maar het opschrijven van een verbod maakt dat nog niet waar.

1. Gedomineerde realisaties en zelfondermijnende werking: voorwaardelijke claims

Leg vóór de beoordeling effect E, harde voorwaarden C, voorbereiding z₀, toegelaten overgangen en kostenvector r vast. Laat \(\mathcal R_C(z_0)\) de daarmee bepaalde bereikbare realisaties zijn. Dan domineert Y een kandidaat X wanneer:

\[ X,Y\in\mathcal R_C(z_0),\qquad E(X)=E(Y)=E_*,\qquad r_a(Y)\le r_a(X)\ \text{voor alle }a, \quad r_b(Y)<r_b(X)\ \text{voor minstens één }b. \]

E-gelijkheid kan een vooraf omschreven effectklasse met toleranties betekenen. Gelijkheid, kosten en verschillen moeten met hun meetonzekerheden beoordeeld kunnen worden.

H_D, de historische sterke natuurhypothese: als zo'n Y bestaat, blijft X niet bestaan in het benoemde procesregime. De Pareto-definitie alleen zegt slechts dat X gedomineerd is. Het verdwijnen of niet blijvend gerealiseerd worden van X is de nieuwe inhoud; het volgt niet automatisch uit bereikbaarheid of bestaande behoudswetten. Hieruit volgt evenmin dat er maar één winnaar is: meerdere ongedomineerde alternatieven kunnen overblijven.

Procesversie, eveneens voorwaardelijk te onderzoeken: een werking die de voorwaarden voor haar eigen voortzetting vernietigt, blijft niet bestaan als een bereikbaar alternatief hetzelfde effect draagt en die voorwaarden behoudt. Als die voortzetting vooraf onderdeel van effect, voorwaarden en kosten is, kan dit als dezelfde dominantieregel op trajecten worden uitgewerkt. Anders voegt de procesversie een afzonderlijke voorkeur voor voortzetting toe. Het behoud van voorwaarden garandeert op zichzelf nog geen daadwerkelijke voortzetting.

De terugkerende strottenhoofdzenuw is door de auteur genoemd als kandidaat-tegenvoorbeeld. Hier is geen anatomische of evolutionaire vergelijking uitgevoerd. Een vergelijking vraagt een vooraf afgebakende verzameling ontwikkelings- en evolutionaire overgangen; een achteraf getekende kortere verbinding bewijst niet dat die met hetzelfde functiepakket bereikbaar was. Die afbakening mag evenmin achteraf worden aangepast om een tegenvoorbeeld uit te sluiten.

Blijvende eisen aan iedere versie van de toets; beperkingen worden zichtbaar geregistreerd:

  • Voortbestaan: bedoelen we één ononderbroken structuur, een terugkerende structuur, een blijvend positieve bezetting of een stabiele oplossing? Deze uitspraken zijn verschillend.
  • Tijd: een claim van verdwijnen “ooit” geeft geen eindige waarnemingsgrens. Voor een eindige toets moet een termijn, overlevingskans of andere observeerbare consequentie onafhankelijk worden vastgelegd. Een gekozen termijn is een aanvullende toetsbare aanscherping, geen reeds afgeleide EEML-tijdschaal.
  • Bereikbaarheid: een pad van z₀ naar Y is niet noodzakelijk een pad van de inmiddels gerealiseerde X naar Y. Mogelijkheid met positieve kans betekent ook geen onvermijdelijke keuze. Leg vooraf vast welke betekenis wordt getoetst.
  • Volledige vergelijking: voorbereiding, overgangsbarrières, benodigde externe sturing en onderhoud worden volgens vooraf gekozen systeemgrenzen en kosten meegenomen. Nieuwe verborgen kosten mogen niet na iedere misser worden toegevoegd.
  • Deterministische of statistische claim: een strikt verbod wordt niet achteraf vervangen door “meestal minder waarschijnlijk”. Een kansversie vraagt een vooraf gespecificeerde grens.

Bij eindige ε kunnen gedomineerde kandidaten positieve stationaire bezetting houden. Dat is een concreet bezwaar tegen een algemeen verbod op blijvende bezetting, niet iets wat vanzelf door “tijdelijk bezoek” verdwijnt. D1 onderscheidt daarom structuurbehoud, individuele verblijftijd, terugkeer en bezetting. Onder benoemde replicatorvoorwaarden geldt wél een eliminatiestelling; met ruis kan een Kramers-wachttijd relevant zijn. Beide zijn hieronder uitgewerkt. P1 toetst een afzonderlijke concrete proceswet.

2. Aanvullend postulaat: geen volledige blokkade

De gedachte blijft: geen toestand zonder uitgaande overgangen, tenzij een vooraf benoemde harde voorwaarde dat afdwingt. Wat als toestand en overgang telt, moet daarbij vaststaan.

Nulpuntsfluctuaties, tunneling en de derde hoofdwet worden bewaard als aangedragen verbanden, niet als bewijs van dit algemene postulaat. Een quantumenergietoestand kan stationair zijn; tunneling hangt van de dynamica af en de onbereikbaarheid van absolute nultemperatuur is geen algemene stelling over uitgaande overgangen. Zie voor stationaire toestanden Feynman, The Dependence of Amplitudes on Time. Het postulaat blijft afzonderlijk toetsbaar binnen een gekozen beschrijvingsniveau.

3. Wat niet door de eigen claim wordt verboden

  • Effect bij nul actieve dissipatieve weerstand: voortgaande beweging kan daarmee verenigbaar zijn. Afwezigheid van wrijving betekent niet afwezigheid van alle krachten of ondersteuning.
  • Inzet zonder het gekozen effect: toegestaan; de effectdefinitie bepaalt wat als resultaat telt. Stilstand bij aanwezige krachten is mogelijk en verricht niet automatisch mechanische arbeid.
  • Voortgang zonder voortdurende externe toevoer: niet algemeen door behoudswetten verboden; eerder vastgelegde beginenergie kan behouden blijven.
  • Netto energie produceren zonder corresponderende verandering of overdracht van energie, waar energiebehoud geldt: al door die behoudswet uitgesloten. De ruimere zin “ieder effect vereist aantoonbaar ondersteuning ergens in zijn hele verleden” volgt daar niet automatisch uit. EEML claimt dit niet als eigen resultaat.

Actuele werkafspraak: gebruik D1 voor vooraf bepaalde procesvoorwaarden en hun toetsbare gevolgen. De zelfondermijningsvariant vraagt eveneens een termijn, een gesloten boekhouding en een bereikbaarheidstoets. Zonder die voorwaarden is zij geen bewezen verbod. H_R is een afzonderlijke hypothese over fijnmazig informatiebehoud. Geen van beide is hier nieuw empirisch bevestigd.

Closure en saturatie: operationeel en per grootheid

Wanneer ligt een uitkomst echt vast? Per grootheid bekeken, niet in het algemeen.

Constraint closure betekent hier dat een pakket voorwaarden de gevraagde uitkomst vastlegt. Saturatie betekent dat een bewezen ondergrens of bovengrens wordt bereikt. Dit zijn het zwaartepunt van de huidige exacte selectiebenchmarks. Het zijn niet de enige exacte resultaten in het dossier: bijvoorbeeld de log-sum-exp-identiteit en de Lyapunov-afleiding zijn eveneens exact binnen hun voorwaarden. Geen van deze afleidingen bevestigt op zichzelf een universele EEML-natuurwet.

Leg eerst de modelklasse, voorwaarden C, fysische equivalenties ∼ en te voorspellen grootheid f vast. Definieer:

\[ \widehat\Omega_C=\Omega_C/{\sim},\qquad \mathcal Y_f=\{f([\omega]):[\omega]\in\widehat\Omega_C\}. \]

f moet onder de gekozen equivalenties invariant zijn. Equivalenties verwijderen dubbele beschrijvingen, geen verschillende fysische uitkomsten. Dan geldt als definitie:

\[ \boxed{\text{closure voor }f \iff \widehat\Omega_C\ne\varnothing\ \text{en}\ |\mathcal Y_f|=1.} \]

Uniciteit van de volledige configuratie vraagt sterker \(|\widehat\Omega_C|=1\). Een lege oplossingsverzameling is een inconsistent pakket, geen geslaagde closure.

Rapporteer als closure-profiel:

  • de dimensie per oplossingscomponent, waar een passende dimensie gedefinieerd is;
  • het aantal inequivalente oplossingen als de verzameling discreet is, anders de nog vrije componenten;
  • de mogelijke waarden of band voor de vooraf gekozen f.

Dimensie is een diagnose van continue vrijheid, geen volledige closure-maat. Bij \(\Omega=\{-1,+1\}\) is de dimensie nul, maar f(x)=x heeft twee uitkomsten. Voor f(x)=x² is de uitkomst wel uniek. Omgekeerd kan f vastliggen terwijl andere parameters continu vrij blijven. Een vrije volumemodulus weerlegt dus niet automatisch closure voor een koppeling die onafhankelijk van dat volume is.

Bij reguliere gelijkheidsvoorwaarden \(F:\mathbb R^n\to\mathbb R^m\) geeft constante Jacobiaanrang r lokaal dimensie n−r. Op singuliere punten, bij ongelijkheden, discrete voorwaarden of oneindigdimensionale ruimten is een aparte analyse nodig. Een Jacobiaan met rangtekort is op zichzelf geen bewijs van vrije oplossingen; bijvoorbeeld x²=0 heeft één oplossing ondanks F′(0)=0.

Discrete closure en discrete minimaliteit verschillen. Als de gegeven voorwaarden één f-waarde overlaten, is daarvoor geen aanvullende minimumregel nodig. Als meerdere waarden overblijven en we een kost minimum laten kiezen, is die minimumregel een extra modelvoorwaarde. Een strikt minimum kan een bewezen gevolg van de gekozen kost zijn; dat de natuur die kost minimaliseert volgt daar niet automatisch uit. Ook een uniek gesloten resultaat blijft afhankelijk van de gekozen klasse en voorwaarden.

Voor de benchmarks betekent dit:

Benchmark Wat wordt vastgelegd? Welke keuze blijft zichtbaar?
Hyperladingen Eén ladingsverhouding na normalisatie binnen het vastgelegde spectrum; negen minimaal sluitende voorwaardenpakketten. Spectrum, Yukawa-/anomalievoorwaarden en normalisatie.
331 N=3 uit de gezamenlijke discrete voorwaarden. Uitgebreide ijkgroep, representaties en eis van asymptotische vrijheid.
K3 χ=24 en gladde K3-topologie in het verzadigingsgeval. Kandidaatklasse plus realisatie van het minimum; vorm en schaal blijven vrij.
α-poging Sommige parameters kunnen per fluxsector vastliggen. Fluxsector, fotonidentificatie en fysische normalisatie; er is nog geen closure voor α(0).

De operationele onderzoekshandeling is daarom: zoek verenigbare verzadiging van onafhankelijke bewezen grenzen, bepaal alle gelijkheidsgevallen, en controleer vervolgens of de gevraagde grootheid daarin werkelijk één waarde heeft. Herhaalde formuleringen van dezelfde voorwaarde tellen niet als onafhankelijke grenzen. De concrete stappen staan in het toetsprotocol.

Acht bewaarde werkregels

Acht werkregels, elk met hoe hard ze is. Niet alle acht zijn bewezen.

Deze regels bewaren de oorspronkelijke richting met hun actuele status; zij zijn niet alle acht bewezen natuurwetten.

  1. Voortgaande werking (postulaat en onderzoeksvraag). EEML zoekt processen die effect dragen en voortzetten. Dat volledige stilstand universeel onmogelijk is, blijft een postulaat. Een constante zichtbare verdeling kan voortdurende gebeurtenissen bevatten.
  2. Het geheel telt (consistentie-eis). Neem relevante relaties, omgeving, geschiedenis en systeemgrenzen mee. Onderdelen kunnen afzonderlijk passen en gezamenlijk onverenigbaar zijn.
  3. Ontwikkeling verandert mogelijkheden (proceshypothese). Gebruik kan gewoontes, geleiding en toekomstige toegankelijkheid veranderen. De aanpassingswet moet worden gespecificeerd of gemeten.
  4. Vergelijk bij gelijk effect (protocol). Leg kwaliteit, middelen, duur en tolerantie vast. Minder verlies door niets te doen is geen betere uitvoering van een vereist effect.
  5. Mogelijkheid, samenhang, gewicht, slagen en beweging verschillen (definitie). Een mogelijke route hoeft niet gebruikt te worden; een waarschijnlijke eindtoestand hoeft niet tijdig bereikt of behouden te worden.
  6. Consistente herbeschrijving (consistentie-eis). Verborgen structuur blijft via relevante gevolgen meetellen: effectieve koppelingen, geheugen, ruiscorrelaties of andere termen.
  7. Sluit de boekhouding (domeinafhankelijke eis). Neem toevoer, uitvoer, opslag, onderhoud en schade mee. Behoudswetten worden gebruikt waar zij fysisch gelden. Er is geen aangetoonde universele behoudswet voor ‘weerstand’.
  8. Reconstrueer en toets, ook EEML zelf (protocol). Vergelijk alternatieven, verwijder voorwaarden als test, registreer mislukkingen en voorspel nieuwe omstandigheden zonder opnieuw afstellen.

Notatie

De symbolen die in de uitwerking gebruikt worden.
Symbool Betekenis
\(C,\Omega_C\) Context en fysisch toegelaten toestanden of realisaties.
\(E,\Omega_{E,C}\) Effectcriterium en realisaties die eraan voldoen. E kan ook een expliciet omschreven trajectgebeurtenis zijn.
\(\gamma,\Gamma_C\) Traject en toegelaten trajectruimte.
\(S,R_a\) Gespecificeerde scalaire kost of component van een kostenvector.
\(\mu,\nu\) Basismaat binnen een klasse en over macroklassen.
\(\varepsilon\) Positieve weeg- of ruisschaal, met expliciete conventie.
\(Z,F\) Partitiefunctie en \(F=-\varepsilon\log Z\).
\(K,L,\pi\) Overgangskern, generator en veronderstelde stationaire verdeling.
\(W\) Quasipotentiaal in de procesuitwerking; niet hetzelfde als de naam EEML-W.

Symbolen worden per voorbeeld nader gedefinieerd. Statistische kost, mechanische actie en fluctuatieratefunctionaal zijn niet zonder afleiding dezelfde grootheid. F is alleen onder aanvullende fysische identificaties thermodynamische vrije energie.

Mechanische concretisering: moeite als kracht, effect als beweging

Moeite als kracht, effect als beweging: minder wrijving vraagt minder duwen.

Voorstel van de auteur, 28 september 2026: “moeite = kracht, effect = beweging”. Dit geeft een concrete mechanische onderzoekstak. Voor een toets operationaliseren we moeite als de benodigde aandrijfkracht, gemeten in newton, en effect als een vooraf afgesproken beweging met beginvoorwaarden, belasting en tijdsduur. De grootte van de kracht, haar maximum en haar tijdintegraal zijn verschillende mogelijke vergelijkingsmaten; de keuze moet vooraf vaststaan. Dit vervangt de bredere historische begrippen niet stilzwijgend door een reeds bewezen universele identificatie.

In klassieke mechanica met constante massa, in een inertiaalstelsel, bepaalt de nettokracht de versnelling: \(\sum\mathbf F=m\,d\mathbf v/dt\). Aandrijfkracht, tegenwerkende kracht en hun som moeten daarom apart blijven. Bij nul nettokracht blijft de snelheid constant; dat kan voortgaande beweging of rust zijn. Kracht kan ook alleen de richting veranderen. Zie Feynman, Newton’s Laws of Dynamics.

Een expliciet model is één rechtlijnige bewegingsrichting met lineaire wrijving:

\[ m\dot v=F_{\rm aandrijf}-\gamma v,\qquad \gamma\ge0. \]

Voor dezelfde constante snelheid \(v_*>0\) geldt:

\[ F_{\rm aandrijf}=\gamma v_*. \]

Minder wrijving vraagt hier minder aandrijfkracht voor hetzelfde bewegingseffect. Bij γ=0 kan de reeds aanwezige snelheid zonder aandrijfkracht behouden blijven; vanuit rust volgt zonder nettokracht geen versnelling. De voorbereiding die de beginsnelheid leverde hoort in de boekhouding wanneer we het volledige proces vergelijken.

Kracht is niet hetzelfde als energiegebruik. De overgedragen mechanische arbeid is \(W=\int\mathbf F_{\rm aandrijf}\cdot d\mathbf r\); het vermogen is \(\mathbf F_{\rm aandrijf}\cdot\mathbf v\). Een kleinere kracht over een langere weg hoeft minder arbeid niet te betekenen. Deze grootheden mogen naast kracht worden bijgehouden zonder de definitie van moeite achteraf te verwisselen. Zie Feynman, Work and Potential Energy.

De betrekking hierboven is een gevolg van Newton plus de gekozen wrijvingswet. Een eigen EEML-claim vraagt vervolgens welke route, structuur of aanpassing de benodigde kracht verlaagt en welke nieuwe uitkomst dat vooraf voorspelt. De identificatie “kracht/beweging” leidt op zichzelf de kosten \(c_i\), voorkeuren of procesparameters van P1 nog niet af.

EEML-W: werking in eigen begrippen

Een eigen taal voor werking: wat kan, wat gebeurt, en wat er overblijft.

KAN betekent dat de benodigde context aanwezig is; DOET benoemt de uitgevoerde overgang; LAAT benoemt de context die overblijft. Een kiem is voorbereiding, een kring een uitvoerbare reeks die een benoemde context herstelt, en restvraag de aanvullende ondersteuning tijdens de uitvoering.

Een eenvoudige discrete vertaling gebruikt een voorraad \(m\in\mathbb N^k\). Een werking heeft benodigde invoer u en uitvoer v:

\[ m\ge u\quad\Longrightarrow\quad m'=m-u+v. \]

Een tekort is componentgewijs \((u-m)_+\). Aanvulling moet expliciet worden geboekt; de formule maakt haar niet vanzelf beschikbaar. Dit is verwant aan een Petri-net. Een kring moet werkelijk uitvoerbaar zijn. Als iedere overgang een ontbrekende kiem vereist, begint hij niet vanzelf.

Voorbeeld: een directe werking verbruikt a en levert één effectpuls. Een kring \(a\to b\to c\to a\) levert bij de laatste stap één effectpuls. Met één aanvankelijke a en één tijdseenheid per stap vragen tien directe pulsen negen aanvullingen en tien stappen; de kring vraagt geen nieuwe a, maar dertig stappen. Dit is een afweging tussen ondersteuning en duur. Brandstof of energie die niet in de voorraad is opgenomen mag niet als gratis worden beschouwd.

De verwantschap met Petri-netten en chemische organisatietheorie maakt een kring niet automatisch optimaal, bereikbaar of thermodynamisch gesloten. Zie Dittrich en Speroni di Fenizio.

Grondgedachten en nulpunt

De oorspronkelijke grondgedachten, bewaard als uitgangspunt, niet als bewijs.

Bewaard als postulaten: niets bestaat niet; moeiteloos effect is onderliggend; motivaties, gewoontes en doelen bepalen mede de context; EEML moet ook op haar eigen formulering worden toegepast. De afspraak ‘100% effortless’ benoemt nul actieve tegenwerking bij daadwerkelijk effect. Zij is niet automatisch het thermodynamische rendement uitvoer/invoer of een bewijs van gratis energie.

Het oorspronkelijke argument blijft zichtbaar: veronderstel totale afwezigheid; dan ontbreekt weerstand; voeg de grondregel toe dat ontbrekende weerstand noodzakelijk een bestaande effortless state inhoudt; die toestand is iets; daarmee is totale afwezigheid strijdig met die grondregel. De overgang van afwezigheid naar het bestaan van een toestand is aanvullende inhoud. Het argument bewijst de grondregel of een kosmisch nulpunt niet onafhankelijk.

‘Niets’ als totale afwezigheid en ‘niks’ als iets aanwezigs dat binnen een context geen effect heeft, blijven verschillende begrippen. Aanwezige koppelingen kunnen niet-actief zijn; dit wordt verderop operationeel gemaakt met een dempingsmatrix. De concrete modellen kunnen zonder een oorsprongstheorie worden onderzocht.